Muziektheaterstudent Yara Snelder had lange tijd last van nachtmerries. Wat haar fascineerde, was dat die dromen niet echt waren, maar de gevoelens die ze achterlieten wel. Voor haar final onderzocht ze hoe ze die ervaring met muziektheater kon overbrengen. “Hoe zo'n droom nog helemaal in je lijf nazindert, dat wilde ik proberen aan een publiek mee te geven.”

Trailer OOG EN SCHIJNLIJK
Aan deze muziektheatervoorstelling werkten medestudenten en andere makers mee, hier vind je de creditlijst. Deze final was onderdeel van het ArtEZ Muziektheaterfestival in Arnhem.
Het idee voor haar afstudeerperformance ontstond in de periode dat Yara geen contact had met haar vader. Tijdens die drie jaar droomde ze vaak over hem. “In die nachtmerries ging ik dan elke keer de confrontatie met hem aan. Vrijwillig of niet vrijwillig, meestal niet.”
Wat haar fascineerde, was hoe die dromen bleven doorwerken, ook als ze wakker was. “Als je veel nachtmerries hebt, dan is het best lastig om uit te leggen hoe dat voelt,” vertelt Yara. “Het liefst wil je dat de mensen aan wie je dat laat zien het voelen in plaats van het alleen snappen.”
Tijdens het zoeken naar een vorm ontstond ook de muziek. Terwijl ze piano speelde in een lokaal, schreef ze een muzikaal motief dat later de basis werd van de voorstelling. Het motief keerde steeds terug, niet altijd herkenbaar. “Het eindigde heel dissonant. Het zat ook niet echt in een toonsoort, waardoor het niet lekker in je oren klinkt en een beetje onaangenaam is eigenlijk.”
“Tijdens de opleiding heb ik geleerd: durf te falen. Daarin zit schoonheid, en door tegen te komen wat níet werkt kom je uit op wat wél werkt. De magie ontstaat wanneer je je overgeeft aan de poging, in plaats van het perfecte resultaat na te streven.”

Toen Yara de ruimte in Popcentrum de Jacobiberg zag, dacht ze: “Oh, dit is een hele weirde ruimte. Dat lijkt me goed.” Tijdens de performance zat het publiek in een kuil in het midden. Daaromheen speelden Yara en andere acteurs achter plastic folie, met licht, schaduwen en vervormde beelden.
Als ze repeteerden, was het lastig inschatten hoe de scènes overkwamen. Omdat de spelers achter folie speelden, konden ze niet goed zien wat het effect was op de toeschouwers. Daarom bouwden ze in een lokaal een kleine versie van de opstelling. Steeds ging iemand in het vierkant staan om te kijken wat het licht, de schaduwen en de bewegingen deden.
Tijdens de voorstelling zag Yara het publiek nauwelijks. “Je voelde wel een soort spanning uitgaan van het midden, maar je zag helemaal niemand.” Daardoor moest ze vertrouwen op alles wat tijdens het maakproces was onderzocht en gerepeteerd. Na afloop hoorde ze terug dat bezoekers zich boos, verdrietig, angstig en beklemd hadden gevoeld.
“Het maakt me niet uit of iemand mijn voorstelling niet helemaal begrijpt. Zolang ze maar iets voelen.”

Ook de manier waarop het publiek werd ontvangen, maakte deel uit van de voorstelling. De vervreemding begon al voor aanvang. Bezoekers werden met zaklampen naar hun plek begeleid en op een specifieke manier neergezet. Mensen zaten dicht op elkaar op de grond en keken verschillende kanten op. Daardoor werden ze onderdeel van elkaars ervaring.
Dat werkte precies zoals Yara had gehoopt. Een vriend vertelde haar na afloop: “Er was een man en elke keer als er achter hem een scène werd gespeeld, keek hij niet om. Ik vond dat zo irritant.” Yara was juist blij met die reactie: “Zijn irritatie droeg dus bij aan zijn ervaring van de voorstelling.”

Tijdens het maakproces kreeg de muzikale opbouw veel aandacht. Dat leidde tot een opvallende keuze: er was vaak geen muziek te horen tijdens de voorstelling. “Als iets herkenbaar is als muziek, ervaar je dat toch als iets veiligs.” Die onveiligheid wilde Yara zo lang mogelijk rekken. Pas later in de voorstelling volgde een groter muziekstuk. “Juist het uitstellen van geluid zorgde voor beklemming en verlichting.”